» home » Diverse
Ik red me wel
door Jeroen op vrijdag 21 februari 2003 21:09
Behendig vouwt hij de daklozenkrant dubbel en schuift deze in mijn overvolle tas boodschappen. Ik sta in de deuropening van de Albert Heijn. Achter me lekker warm, voor me winderig koud. “Lekker weertje vandaag, he meneer?”, vraagt hij op een ietwat geforceerde toon. Ik overweeg hem te zeggen dat ik vandaag weer de hele dag op kantoor heb gezeten en dus weinig heb meegekregen van het weer. Maar waarschijnlijk doelt hij op de afgelopen week, toen het 's nachts tot zeven graden vroor. Voor iemand die een week in de vrieskou heeft moeten overleven is het vast lekker weer.
Ik heb een hekel aan het woord 'u' en aan het woord 'meneer'. Ik ben gewoon 'je'. Mijn ouders hebben me niet voor iets Jeroen genoemd. Op 28-jarige leeftijd heb ik volgens mij nog niet de u-gerechtigde leeftijd bereikt. Een aantal maanden geleden heb ik een medewerkster van mijn kapper bijna een lel verkocht omdat ze hardnekkig bleef u-en. Sindsdien begint ze al te tutoyeren voor ik binnen ben.
Ik glimlach verlegen, niet wetende wat te antwoorden. Hij heeft een zuidelijke uitstraling: lang krullend haar, een smal vriendelijk gezicht en een drie-dagen-niet-geschoren baard. Iedere keer als ik naar de Albert Heijn ga, staat hij daar. Bij de deuropening geduldig te wachten. Ieder keer als ik langs hem probeer te glippen groet hij mij vriendelijk. En iedere keer probeer ik zo min mogelijk oogcontact te maken. Ik voel me ongemakkelijk als ik met een overvolle boodschappentas langs hem naar buiten loop. Maar altijd is hij vriendelijk. Afgelopen week ben ik hem in de vrieskou voorbijgelopen. Ik had al spijt voordat ik bij mijn fiets was aangekomen. Morgen koop ik een krant, nam ik mezelf voor.
Ik heb een zwak voor deze daklozen. Mensen die door middel van eerlijke handel proberen in leven te blijven. Zo heb ik jaren een 'eigen' zwerver gehad op station Amstel. Een jonge knul. Dag in, dag uit bedelend om geld. Dat kan ik moeilijk weigeren. Als ik hem zag gaf ik hem meestal wel wat. Op een gegeven moment liep hij me wel eens voorbij. Misschien uit respect. Om me niet altijd lastig te hoeven vallen. Dat vond ik zo'n mooi gebaar dat ik hem heb teruggeroepen.
“Hoeveel krijg je van me?” vraag ik. De krant kost € 1,50 waarvan hij zeventig cent mag houden. Ik geef hem twee euro. Hij zoekt naar wisselgeld, maar ik gebaar hem dat ik geen wisselgeld van hem verlang. Ik loop naar mijn fiets en ga naar huis. En toch voel ik niets van de verwachtte voldoening. Geven uit overvloed is geen kunst. Ik heb mijn hele leven nooit gebrek aan geld gehad. Ik ben niet rijk, maar kan kopen wat ik nodig heb. Als ik echt iets voor deze man had willen doen had ik hem twee euro moeten geven, zonder een krant te kopen. Want de krant is voor mij slechts een alibi om een dakloze geld te geven. Een alibi die de helft kost van zijn inkomen.
Thuisgekomen bekijk ik de krant. “Ik red me wel” staat er op de cover.
 |
2.011 maal gelezen, score 1,3/5.
Reacties
Services